Wijkcomposteren of niet wijkcomposteren?
Groene eilandjes, composthoekjes, compostpaviljoenen, buurtcompostparkjes, …
Vele namen voor één principe: het composteerbare afval wordt niet in de achtertuin of in een grootschalige installatie gecomposteerd, maar in een hoekje aan het openbaar domein waar één of meerdere vrijwilligers er regelmatig zorg voor dragen.
Het principe is eenvoudig en zo dachten ook de verschillende gemeentebesturen die in de laatste maanden meer dan één composthoekje inhuldigden. In een enkele gemeente groeide wijkcomposteren zelfs uit tot een politiek symbooldossier. Ook elders kent het fenomeen onvoorwaardelijke voorstanders en even fanatieke tegenstanders.
Met wijkcomposteren is het echter niet anders dan met de andere instrumenten in het gemeentelijke afvalbeleid: het moet deel uitmaken van een instrumentenmix, om succesvol te zijn moet voldaan worden aan randvoorwaarden en … het vergt continue opvolging.
Een kleine geschiedenis
Het is een bekend gegeven dat de gemiddelde Vlaming jaarlijks ongeveer 530 kilogram afval produceert en dat een heel groot aandeel hiervan bestaat uit organisch-biologisch afval (grasmaaisel, haagscheersel, groente- en fruitafval, keukenresten, …). Om de hoeveelheid afval die naar het stort of de verbrandingsoven moest worden afgevoerd te verminderen, startten verschillende intercommunales begin jaren '90 met een afzonderlijke ophaling van het groente-, fruit- en tuinafval. In 1994 werd 76 000 ton GFT-afval opgehaald, in 1999 maar liefst 348 000 ton. De kosten voor de selectieve ophaling en grootschalige compostering stegen evenredig. Voor iedereen werd duidelijk dat ook de berg GFT- en groenafval niet ongelimiteerd kon blijven stijgen.
Om die reden werd gestart met sensibilisering rond thuiscomposteren. Door subsidies van de Vlaamse regering werden tienduizenden compostvaten voor een prikje aan de man gebracht. Compostmeesters werden opgeleid om de burger bij te staan in de alchemie van het thuiscomposteren. De laatste jaren wordt nog een stap verder gegaan in de preventie en komt de nadruk steeds meer te liggen op de eigenlijke voorkoming van het afval door afvalarm tuinieren en winkelen. Volgens de meest recente enquêtes zou 36 % van de Vlamingen een gedeelte van het keuken- en tuinafval thuis composteren. Gemiddeld 73 % zou een gedeelte van het organisch afval aan de bron recupereren.
De stedelijke bevolking vormt van oudsher een aparte groep in dit verhaal. De samenstelling van het afval is er verschillend. Het ophalen van GFT- en groenafval in smalle steegjes en langsheen drukke straten vormt er een probleem. Stedelijke woningen kennen bovendien veel minder ruimte voor het afzonderlijke opslag van de verschillende afvalstromen. Van thuiscomposteren op het balkon of in het minuskule voortuintje kan helemaal geen sprake zijn.
De eerste initiatieven inzake wijkcomposteren groeiden uit de vaststelling dat appartementsbewoners verplicht waren alle organisch afval in de huisvuilzak te deponeren waardoor ze met veel hogere afvalkosten opzadeld werden. De gemeente Dilbeek richtte als antwoord hierop 5 jaar terug een eerste compostpaviljoen op. Appartementsbewoners uit de omgeving kunnen er nog steeds enkele dagen per week hun GFT-afval kwijt.
Uitvoeringsplan organisch-biologisch afval.
Hoe staat nu het beleid tegenover wijkcomposteren? Het meest recente beleidsplan organisch-biologisch afval, door de Vlaamse regering goedgekeurd op 21 januari 2001, bouwt verder op het 3-sporenbeleid zoals dit ook reeds in 1995 was vooropgezet. Het driesporenbeleid steunt op volgende pijlers, weergegeven in voorkeursvolgorde:
1. Promotie van preventie, waaronder thuiscomposteren
2. Maximale uitbouw van de groenafvalverwerkingsketen
3. Maximale uitbouw van de GFT-verwerkingsketen
Voorrang wordt gegeven aan preventie en thuiscomposteren, aangezien op deze manier een groot deel van het geproduceerde keuken- en tuinafval aan de bron kan worden gerecupereerd. Dit dient echter steeds gepaard te gaan met de optimalisatie van de selectieve inzameling en verwerking van groenafval. De selectieve inzameling van GFT-afval moet maximaal worden uitgebouwd binnen de bestaande of geplande verwerkingsmogelijkheden en de taakstellingen voor de verwijdering van het huishoudelijk afval, ttz minder dan 150 kg restafval per inwoner en per jaar.
Wijkcomposteren komt niet afzonderlijk in dit lijstje voor. Wijkcompostering wordt door het uitvoeringsplan beschouwd als een kleinschalige vorm van grootschalige compostering. Volgens het plan is het geen vorm van thuiscomposteren, vermits de burger zich effectief van het afval ontdoet door het naar de wijkcompostering te brengen. De burger blijft niet verantwoordelijk voor het afval, maar geeft het door aan diegenen die de wijkcompostering uitbaten. Wijkcomposteren blijft dus hangen ergens tussen pijler 1 en pijler 3.
De onduidelijke tussenpositie van wijkcomposteren tussen thuiscomposteren en grootschalige compostering, uit zich ook in andere wetgeving. Vlarem I kent bijvoorbeeld slechts één categorie met betrekking tot de verwerking van GFT-afval. Wijkcompostering zou daarom steeds een klasse I vergunning moeten krijgen, hetgeen voor de meeste minuscule composthoekjes weinig realistisch is. Een bouwvergunning is dan weer nodig van zodra de composteerinstallatie een volume kent van meer dan 10 m³ of zichtbaar is vanaf de openbare weg. Volgens de huidige versie van VLAREA moet de compost uit wijkcompostering een gebruikscertificaat bezitten. Wordt de compost verhandeld, dan is ook een derogatie van het ministerie van landbouw noodzakelijk.
Wijkcomposteren en wijkcomposteren zijn twee.
Niet alle vormen van wijkcompostering kunnen echter over dezelfde kam geschoren worden. Uit een recente inventaris die door VLACO werd opgemaakt, blijken onderling grote verschillen.
Zo blijken de meeste wijkcomposteringen te zijn ontstaan op initiatief van een gemeente of intercommunale, maar andere zijn er gekomen na initiatief van een ontwikkelingsmaatschappij, een bedrijf of een individuele burger. De bestaande projecten situeren zich meestal in een sociale of dichtbebouwde stedelijke wijk en zijn gelegen op privé-terrein. Op de meeste plaatsen is op dezelfde locatie ook een demonstratieplaats thuiscomposteren. Bijna nooit is er vrije toegang. De grootte van de terreinen varieert van 4 tot enkele tientallen m². Er wordt gecomposteerd in wormenbakken, compostvaten, compostbakken en op enkele plaatsen in een compostpaviljoen.
In Antwerpen begeleidt de vzw Stadsland de oprichting van de zgn. Groene Eilandjes. Een Groen Eilandje komt er slechts nadat de plaatselijke bevolking er expliciet heeft naar gevraagd. Met de eigenaar van het terrein wordt vervolgens een schriftelijk akkoord afgesloten, maar er wordt geen vergoeding voorzien. Stadsland organiseert vervolgens buurtvergaderingen waarin de bewoners de taken onderling verdelen. Alleen de bewoners staan in voor het openhouden. Alle inwoners die GFT-afval aanvoeren, worden geregistreerd.
De Groene eilandjes beperken zich tot compostvaten of compostbakken. De capaciteit voor compostering is dus sowieso beperkt. De afgewerkte compost wordt meestal op het terrein zelf gebruikt bij de beplanting, een deel wordt uitgedeeld. Er wordt nooit compost verkocht. Stadsland wil sterk de rol van het compostparkje als sociale ontmoetingsplaats onderlijnen en de opwaardering van de buurt die hierdoor ontstaat.
Doordat het project sterk wordt ingebed in de buurtwerking is er een goede sociale controle, waardoor ook sluikstorten beperkt blijft. Indien de vrijwilligers zouden afhaken, zal het project dan ook worden stopgezet.
In Houthalen-Helchteren gebruikte buurtwerkster Claudia Mellebeek het keuken- en tuinafvalprobleem van de buurtbewoners als aanleiding voor het opstarten van een gemeenschappelijk initiatief in deze sociale woonwijk. Het compostpark met enkele compostbakken bevindt zich naast het buurtlokaal aan de rand van de wijk.
Op dit ogenblik zijn er 120 gezinnen ingeschreven, waarvan er 40 regelmatig gebruik maken van de composteerplaats. Behalve 36 gezinnen die in een appartementsgebouw wonen, heeft iedereen een tuin. Thuiscomposteren wordt gepromoot maar heeft weinig succes. De tuinen zijn dan ook vrij klein. Er komt dus veel tuinafval binnen, 80% t.o.v. 20 % keukenafval. Wanneer er nood is aan bruin materiaal, voert Eurocompost snippers aan. Sluikstorten is zelden een probleem. De composteerplaats is één keer per week open.
Buurtbewoners appreciëren het project omdat het goedkoper is dan de normale ophaling van groenafval die door de afvalintercommunale wordt aangeboden. Een composteerbare zak voor het groenafval kost immers 52 frank.
Ook in dit project is het sociaal aspect zeer belangrijk. Mensen die vroeger amper contact hadden, komen mekaar nu regelmatig tegen. Maar ook hier blijft de vraag of het project volledig zelfstandig zal blijven verder lopen eenmaal de buurtwerkster vertrekt.
Waar in Antwerpen en Houthalen de composthoekjes beperkt blijven tot enkele vaten en bakken, staan in Dilbeek en Oostende echte compostpaviljoenen. In Dilbeek wordt het paviljoen gebruikt door de bewoners van een van de weinige hoogbouwwijken.Voor de geproduceerde compost werd wel een derogatie bekomen bij het Ministerie van Landbouw. De afzet gebeurt bij de buurtbewoners (100 BEF/zak).
Oorspronkelijk was het compostpaviljoen permanent open, nu nog slechts 5 maal per week telkens gedurende 1 of 2 uur, ondermeer om te voorkomen dat mensen met veel tuinafval teveel materiaal zouden aanvoeren. Vier vrijwilligers houden het open. Een gemeente-ambtenaar zorgt voor het onderhoud.
In de beginjaren hebben zich problemen voorgedaan met ratten en vliegen. Om het rattenprobleem op te lossen, werd door de constructeur een betonvloer aangebracht. Om geurproblemen te vermijden wordt na iedere opening het aangevoerde materiaal afgedekt met een hoeveelheid snippers.
Het compostpaviljoen dat wordt gebruikt heeft een capaciteit van 16 ton GFT/jaar. De aanvoerders komen uit een straal van 600 m loopafstand. Dankzij het paviljoen kwam heel wat sociaal contact op gang in de wijk. Voor de oprichting van een tweede paviljoen in een tweede wijk is er voorlopig te weinig respons bij de buurtbewoners.
Oostende is dan weer een voorbeeld van een dicht stedelijk milieu met veel hoogbouw. Ondanks de 86.000 inwoners zijn er slechts 9.000 tuinen, in 1.600 à 1.700 staat een compostvat. Binnen de intercommunale is er geen GFT-inzameling.
Op dit ogenblik zijn er drie compostpaviljoenen in gebruik, een kleiner model aan de stadsrand (16 ton/jaar) en twee nieuwe van 15 m³ (25 ton/jaar) in een sociale woonwijk en vlakbij het centrum met vooral appartementen.
Een geschikte lokatie vinden voor de paviljoenen was niet evident. Het compostpaviljoen wordt best ingeplant in een groene omgeving, maar in het zicht zodat sociale controle mogelijk is.
Het eerste paviljoen was oorspronkelijk 3 maal per week gedurende 2 uur open. Na evaluatie stapte men (voor de drie paviljoenen) over op 2 keer 1,5 u : zaterdagvoormiddag en een werkdagnamiddag.
Het openen en sluiten van de paviljoenen gebeurt door stadspersoneel. De tijd geïnvesteerd door het stadspersoneel bedraagt ongeveer 1,5 mandagen per week. Voor de vijf geplande paviljoenen zou dit dus neerkomen op een fulltime.
De aangevoerde hoeveelheden worden steekproefsgewijs gewogen gedurende enkele weken per jaar. Het succes van het paviljoen in de sociale woonwijk is zo groot en de aanvoer zo hoog dat de capaciteit van het paviljoen niet meer volstaat. Het afrijpen van de compost moet daarom voorlopig buiten het paviljoen plaatsvinden.
Tips voor succes.
Welke zijn nu de lessen die uit de bestaande voorbeelden getrokken kunnen worden? De belangrijkste vaststelling is dat de oprichting van een wijkcompostering vanwege de gemeente een gedegen voorbereiding vraagt en achteraf, permanente opvolging.
Wijkcompostering kan in sommige gevallen bij de omwonenden de emoties hoog laten oplopen. Er is angst voor vliegen, ongedierte, reukhinder en sluikstorten. Bij een goed onderhouden composthoekje met een gecontroleerde aanvoer van het afval zijn de risico's voor overlast nagenoeg uit te sluiten. Een goede voorlichting en betrokkenheid van de buurt bij het tot stand komen van het project is noodzakelijk wil men alle heisa zoveel mogelijk vermijden. Het opstarten van een composthoekje tegen de wil van de buurt in, zal wellicht contraproductief werken.
Wijkcompostering blijft afhankelijk van vrijwilligers. Indien er voldoende vrijwilligers zijn die in een goede verstandhouding werken, zal het composthoekje floreren. Haken de vrijwilligers integendeel af of komen er spanningen, dan dreigt het composthoekje gauw verwaarloosd te raken en een doorn in het oog van de omwonenden. Het openstellen van een buurtcompostering is in dit opzicht niet enkel een zaak voor de milieuambtenaar, maar ook voor de buurtwerker. In enkele projecten was het sociale aspect zelfs belangrijker dan het milieu-aspect. Duidelijk is ook dat een composthoekje steeds als een tijdelijk initiatief moet worden gezien. Staat de buurt er niet meer achter of vallen de vrijwilligers weg, dan moet ook het composthoekje opgeheven worden. De gemeente moet hoe dan ook steeds regisseur en eindverantwoordelijke blijven.
Een tweede vaststelling is dat de schaal van het project aangepast moet zijn aan de aanvoer van het afval. Omgekeerd moet ook de aanvoer van het afval aangepast worden aan de capaciteit voor compostering. Als meer dan vijftig gezinnen GFT-afval brengen naar een composthoekje waar maar plaats is voor vijf vaten, dan zal de buurtcompostering gauw ten onder gaan aan haar eigen succes. Het aantal inwoners dat toegang krijgt tot de buurtcompostering, wordt daarom best van in het begin beperkt. Inwoners met toegang krijgen een registratiekaart of een sleutel. Inwoners die niet in de onmiddellijke omgeving wonen of die een grote tuin hebben, komen niet in aanmerking.
Wijkcompostering promoten met alleen maar het financiële gewin in het achterhoofd is eveneens gedoemd tot mislukken. Het vermijden van de kosten voor ophaling van afval is een onvoldoende motivatie om maandenlang het proces van de compostering op te volgen. Er moet regelmatig worden belucht of gekeerd. Als er teveel nat materiaal wordt aangebracht, moet dit worden vermengd met houtsnippers. Afgeoogste compost moet worden gezeefd en hergebruikt in de omgeving of verdeeld over de inwoners die deelnemen aan de wijkcompostering.
De inzet van compostmeesters voor deze taken moet goed overwogen worden. Compostmeesters zijn er immers eerst en vooral om het thuiscomposteren te promoten. Het draaiende houden van een buurtcompostering kan hierbij aansluiten, maar mag zeker niet in de plaats komen
Wanneer heeft wijkcomposteren vanuit milieu-oogpunt het meeste zin? De milieuwinst is alvast duidelijk wanneer door wijkcomposteren vermeden wordt dat GFT-afval in restafvalzak terecht komt. Waar reeds GFT-ophaling bestaat, is de milieuwinst minder duidelijk. Wijkcompostering zal hier vooral haar meerwaarde moeten halen uit de sociale aspecten ervan. Waar thuiscomposteren mogelijk is en sterk is doorgedrongen, heeft wijkcomposteren helemaal geen zin.
Naar een aanpassing van de reglementering?
Blijft natuurlijk nog het euvel dat wijkcomposteren door de bestaande wetgeving quasi volledig wordt uitgesloten. Vermits voor wijkcomposteren geen correcte omschrijving bestaat op de indelingslijst van VLAREM I, staan de meeste wijkcomposterigen momenteel op de rand van het onwettelijke.
Op initiatief van VLACO werd een overleg gestart met de verschillende betrokken overheidsinstanties om hierin zo snel mogelijk klaarheid te brengen. Bij alle betrokkenen tekende zich een duidelijke consensus af dat in de toekomstige reglementering een onderscheid moet worden tussen de werkelijk kleinschalige composthoekjes, bestaande uit enkele vaten of bakken, en de al iets grootschaliger compostpaviljoenen.
De limiet van 10 m³ capaciteit, zoals die ook geldt voor de vrijstelling van bouwvergunning, zou overgenomen kunnen worden als grenswaarde voor vrijstelling van milieuvergunning. Groene eilandjes zoals in Antwerpen zouden dan niet langer vergunningsplichtig zijn (eventueel wel een melding), paviljoenen zouden daarentegen vergunningsplichtig blijven.
Een andere belangrijke evolutie spruit voort uit de lopende aanpassingen aan VLAREA. Thuiscomposteren zal wellicht juridisch niet langer aanzien worden als een proces van afvalverwerking, waardoor het buiten het toepassingsgebied van VLAREA zou vallen. De mogelijkheid bestaat dat dezelfde redenering ook wordt doorgetrokken naar de kleinschalige wijkcompostering. Wijkcomposteren in compostpaviljoenen daarentegen zal wellicht wel onder toepassingsbepalingen van VLAREA vallen. Dit impliceert dat een regelmatige kwaliteitsopvolging en analyse van de compost verplicht zullen worden gesteld.
| |